Commentaar op Bouwstop Schieveen
Stichting Natuurbescherming Vlinderstrik .
De gemeente Rotterdam doet voorkomen dat de afgekondigde bouwstop voor polder Schieveen is ingegeven door de uitspraak van de Raad van State van 18 mei 2006. Dit is echter niet het geval. Primaire aanleiding is geweest het inschakelen van de Algemene Inspectie Dienst (AID) nadat vogelwachters op 26 mei 2006 hadden geconstateerd dat er in gebruik zijnde nesten met eieren aanwezig waren in de onmiddellijke nabijheid van de zandstort. Op grond van de Flora en Faunawet is toen het werk stil gelegd omdat opzettelijke verstoring van deze nesten bij voortgaande zandstort het gevolg zal zijn. Dat de in polder Schieveen actieve vogelwachters niet eerder tot actie zijn overgegaan en de AID niet eerder hebben ingeschakeld is erg jammer, want met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan vastgesteld worden dat een aantal nesten met eieren inmiddels inderdaad zijn vernield. Een achteraf aangetoonde “aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” is voor het AID niet voldoende om handhavend te kunnen optreden; dat zal nu wel het geval zijn als de nu aangetoonde en gemarkeerde nesten bij voortgaande zandstort worden vernield. Zo'n bewezen opzettelijke verstoring wordt in de Flora en Faunawet heel zwaar aangerekend en dit is dan ook de enige werkelijke reden geweest voor de gemeente Rotterdam om het werk stil te laten leggen.
Rotterdam heeft haar eigen redenen om de werkelijke toedracht van de bouwstop in Schieveen te verzwijgen. Tijdens het “officiële” broedseizoen van 15 maart tot 15 juli, maar ook weken daarvoor en daarna, worden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid talloze in gebruik zijnde nesten van o.a. zangvogels door maaien, snoeien en rooien vernield. Het opsporen van deze nesten in het dichte struweel is, anders dan in een open weidegebied, een vrijwel ondoenlijke zaak zonder zelf de vogels ernstig te verstoren. Gevolg is dat het harde bewijs van een aanwezig in gebruik zijnd nest vrijwel altijd ontbreekt en er ongestraft gemaaid, gesnoeid en gerooid kan worden. Een altijd aanwezige versnippermachine zorgt voor de onmiddellijke vernietiging van een eventueel bewijs. Toch is het mogelijk om aan de hand van “territorium”- en “nest”-indicerend gedrag het nest van een zangvogel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aan te tonen. Het zou een goede zaak zijn dat de Flora en Faunawet er in gaat voorzien dat in zo'n geval handhavend kan worden opgetreden. Dat is tot nu toe helaas nog niet het geval en is handhaving alleen mogelijk als aantoonbaar bewijs kan worden geleverd van in gebruik zijnde nesten, zoals nu in polder Schieveen is gebeurd.
Rotterdam kan op grond van de Flora en Faunawet na de bouwvakvakanties eind juli, het werk in Schieveen gewoon hervatten omdat dan de eieren zullen zijn uitgekomen en de jongen zich zelf uit de voeten kunnen maken. Om een bouwstop af te dwingen tot aan de uitspraak van de raad van State in de bodemprocedures, ongeveer eind van dit jaar, is een aparte gang naar de Rechtbank Rotterdam noodzakelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening inzake het vrijstellingsbesluit van de Provincie werd door de Rechtbank Rotterdam op 16 maart 2006 afgewezen waardoor midden in het broedseizoen een aanvang kon worden gemaakt met het aanbrengen van een dikke zandlaag. Na de uitspraak van de Raad van State van 18 mei 2006 kan het ons inziens niet anders zijn dan dat de Rechtbank Rotterdam in de uitspraak van de bodemprocedure, die zal dienen op 21 juni 2006, een bouwstop afkondigt voor polder Schieveen totdat de beroepsprocedures bij de Raad van State zijn afgerond. Dit zal niet voor het einde van dit jaar zijn.
|